Dwingeloo, Huis Batinge


Rijksprentenkabinet, achterzijde Batinge door Cornelis Pronk in 1732

1687
In Dwingeloo arriveert een groep van ongeveer vijftig Hugenoten nadat Lodewijk XIV het Edict van Nantes heeft opgeheven. Hierdoor verloren de Franse protestanten al hun rechten.
Bij de huisvesting van de Franse vluchtelingen speelt baron Van Pallandt een grote rol. Hij laat voor de vluchtelingen de zogenaamde ‘Franse huizen’ bouwen. (01)
Van 20 juni 1689  dateert een verklaring van de provinciale kerkvisitatoren, dat in Dwingeloo een Franse gemeente bestaat, die door de drost wordt gesteund en een eigen school heeft. (02)

Afbeelding: Dwingels Eigen

Bij de vluchtelingen is ook een predikant, die in de bovenzaal van het huis Batinge kerkdiensten leidt.
In deze bovenzaal worden een preekstoel en banken geplaatst voor de eredienst. De zaal is als kapel in gebruik gebleven tot 1710. De Fransen worden dan genaturaliseerd tot Drenten en kunnen voortaan de eredienst in de kerk bijwonen.
Het is mogelijk dat in Batinge een (huis?)orgel aanwezig is geweest, omdat op 28 juni 1691 ‘aan Meyster Jacob voor een jaar op den orgel te speelen in de franse kerk van jaar 1690 10-0-0’ wordt uitbetaald.
De preekstoel is bij de afbraak van Batinge in 1832 nog aanwezig. (01) (04)
In een reisverslag uit 1705 van advocaat Beckering en Redger Bolhuis, betreffende hun reis van Groningen naar Kleef, wordt ook een rondleiding door Batinge beschreven. Helaas wordt het orgel niet genoemd. (03)

Bronvermelding:

  1. Boek: Reinder Smit, Hugenoten in Dwingeloo, Stichting het Drentse boek, 1986
  2. Drents Archief 0617 Huisarchief Batinge 111 Verklaring der provinciale kerkvisitatoren, dat te Dwingelo eene Fransche gemeente wordt gevonden, die door de drost wordt gesteund en een eigen school bezit; 20 Juni 1689
  3. Boek: A. Bicker Caarten, Drie geslachten van Bolhuis op reis door Drenthe in de jaren 1608-1740, Nieuwe Drentse Volksalmanak 1974, 59-60
  4. Boek: Peter Kooij, Slotkapellen in Drenthe en Overijssel, Bulletin Stichting Drents-Overijsselse kerken nr. 9, oktober 1993 15-16