Dalen, Hervormde kerk
In 1850 bouwt J.C. Scheuer een orgel; zijn werkplaats bevindt zich dan al
geruime tijd in Zwolle. Om de bouw te financieren wordt
een intekenlijst opgesteld, die binnen enkele weken het benodigde bedrag
oplevert. In 1856 weet organist Baning bij de kerkvoogdij te bewerkstelligen dat
Petrus van Oeckelen het instrument in 1857 uitbreidt met een tweede klavier. Baning, die
naast schoolmeester ook organist is, moet een kundig orgelkenner zijn geweest;
hij is namelijk betrokken bij de eindkeuring en ingebruikname van de orgels in
Odoorn, Emmen en Schoonebeek. In die laatste plaats bestelt men zelfs een
koraalboek bij hem. In 1971 restaureert orgelmaker Reil het orgel met als
adviseur Klaas Bolt. Reil voert in 2002/2003 en 2016 groot onderhoud uit. In
deze periode wordt de kleurstelling van de orgelkas na overleg en kleuronderzoek
gedeeltelijk aangepast.
Informatie over de kerk
Opnamen 23 september 2016 Geert Jan Pottjewijd
- Johann
Sebastian
Bach (1685-1750): Fuga in G BWV 576
-
Healey Willan (1880-1968): Christe, Redemptor omnium
1841
Schilder J.J. Zilverberg krijgt 36 gulden voor het
verven van de 'beun' (galerij) van
de kerk. (23)
1844
Op 29 januari geeft het College van
Toezicht toestemming voor het bouwen
van een galerij voor het begrote bedrag van f 600,-
Op 26 februari wordt de
aanbesteding
van de galerij
goedgekeurd.
In een brief van 25 april van het
College van Toezicht staat dat het werk voor f 550,- wordt gegund aan
Lanjouw. (25)
Er
zijn twee bestekken, een ongetekend en een
getekend exemplaar van 25 april 1844. (21)
1848
De Kerkvoogdij krijgt bij
testament van Geesje Snoeijing, weduwe van Jan Mepschen, 'eenen
hoogbejaarde zeer geachte godsdienstige vrouw alhier woonachtig aan Kerkvoogden een legaat
geschonken van driehonderd gulden, hetgeen volgens haar uiterste wil tot bouwing van een
orgel in de Hervormde Kerk zou moeten strekken, en na haaren dood vrij van
succesierechten worden uitgekeerd.' (35)
1849
Er wordt een intekenlijst gemaakt voor de bouw van een
orgel. Na enige weken is het bedrag al binnen, zodat het orgel bij orgelmaker
Scheuer besteld kan worden. Zie Drentsche courant (24-04-1849).
Op 4 april
wordt een contract (afschrift)
gesloten met Johann Christoff Scheuer. De tekst luidt als volgt:
'Bestek en Dispositie wegens het maken en daarstellen van een orgel in de kerk der
Hervormde Gemeente te Dalen, aangenomen door J.C.Scheuer te Zwolle'.
'Het orgel zal bestaan uit één clavier en aangehangen pedaal bevattende de
volgende registers:
| Prestant | 8 voet | van zuiver tin |
| Prestant | 16 voet | discant: van metaal |
| Bourdon | 16 voet | De grootste pijpen van wagenschot, de overige van metaal |
| Holpijp | 8 voet | als boven |
| Octaaf | 4 voet | van metaal |
| Quint | 3 voet | |
| Flute douce | 4 voet | |
| Octaaf | 2 voet | |
| Gemshoorn | 2 voet | |
| Flageolet | 1 voet | |
| Trompet | 8 voet | |
| Afsluiting | ||
| Windlozing |
Afschrift van de tekst van het contract
met Scheuer.
'Bestek en Dispositie wegens het maken en daarstellen van een nieuw Orgel in de
kerk der Hervormde gemeente te Dalen, aangenomen door J.C. Scheuer en Zn.,
Orgelmakers te Zwolle.
Art. 1
Het orgel zal bestaan uit een clavier en
aanhangend pedaal, bevattende de volgende registers:
Prestant 8 voet / van
zuiver tin
Prestant 16 - disc. van metaal,
Bourdon 16 - de groot° pijpen
van wagenschot, de overigen van metaal,
Holpijp 8 - als boven,
Octaaf 4 -
van metaal,
Quint 3 - do.
Flute douce 4 - do.
Octaaf 2 - do.
Gemshoorn 2 - do.
Flageolet 1 - do.
Trompet 8 - do.
Afsluiting
Windlossing.
Art. 2
Het metaal van het binnenstaande pijpwerk, zal
bestaan uit drie delen lood en een deel tin, de prestant 8 vt, die tot
frontpijpen moet dienen, zal uit zuiver tin gepolijst en met verhevene labiums
worden gemaakt, al het binnenstaande pijpwerk word van metaal vervaardigd,
uitgenomen de groote pijpen van Bourdon 16 vt en Holpijp 8 vt, deze zullen van
wagenschot vervaardigd en vast in elkander geploegd worden; verder zal de
stemming zijn orchesttoon, in de gelijkzwevende temperatuur.
Art. 3
Het
clavier moet zijn van wagenschot en lopen van groot C tot en met F en alzoo vier
en een half octaaf in zich bevatten, de platte toedzen zullen met ijvoor worden
opgelegd, de verhevene van massief ebbenhout zijn en de zichtbare delen van het
clavierraam, met ebbenhout gemonteerd worden, verder zal dit speeltuig van een
aanhangend pedaal van wagenschot vervaardigd worden voorzien, hetwelk moet lopen
van groot C tot en met D en alzoo zeven en twintig toedzen in zich bevatten.
Art. 4
De winkelhaken tot de claviatuur behorende zullen van koper zijn, de
haken der abstracten zoo alsook de veeren en stiften der hoofdventielen, alsmede
de stemkrukken der Trompet en verder al het draadwerk tot het Orgel benodigd zal
van het beste koperdraad zijn.
Het welraam, welstiften registerstangen,
koppelaars en wippen zullen van wagenschot, de wellen en abstracten van clavier
en pedaal zullen van het beste grenenhout, de schroeven van koper de moeders van
vast leder vervaardigd worden.
Art. 5
De windlade, zijnde het voornaamste
deel des Orgels, zal met hare windstokken, stijlen en pijpborden, alsmede alle
de windkanalen uit wagenschot worden vervaardigd, de oppervlakten der lade zal
met wit leder worden bevoederd en de windkasten van behoorlijke sluitingen
worden voorzien, zullende overigens al het wagenschot tot dit werk benodigd van
het beste soort en volkomen droog zijn,
Art. 6
Verder word tot dit werk
vereischt drie blaasbalgen lang 2 ellen 50 en breed 1 El 25, dezelve zullen van
stevige klampen worden voorzien, zoodat zij bij het nedertreeden niet doorbuigen,
de spanen alsmede de vangventielen van wagenschot zijn. De stellage waarop de
blaasbalgen zullen rusten, van genoegzame sterkte zijn en de wind, alzoo
geregeld worden dat zij sterkte heeft.
Art. 7
De Orgelkast zal volgens
tekening van best greenenhout werden vervaardigd en van de nodige sluitingen
werden voorzien, de bovendekken, vullingen en achterschotten zullen van vuren
hout voldoende zijn, alsmede zullen de blaasbalgen van kastwerk worden voorzien
en ook afgesloten kunnen worden.
Art. 8
De Orgelkast zal porceleinwit
geverfd, en alle pijpstukken verguld worden, ter versiering zullen met goudbrons
de consollen en het snijwerk op de zijden des Orgels gebronst en de ornamenten
boven op hetzelve gewit en met goud of brons hier en daar smaakvol werden afgezet.
Art. 9
De aannemers zullen zich naar deze regelen getrouw gedragen en
gehouden zijn het geheele Orgel, met alle deszelfs deelen en werkingen genoemd
of niet genoemd, duurzaam en in de beste orde daartestellen, zoodat hetzelve de
beste goedkeuring van deskundigen zal moeten wegdragen, blijven de aannemers
voor de deugd van het werk voortdurend instaan.
Art. 10
Zoo ver de
materialen per water vervoerd kunnen worden, is zulks voor de aannemers,
zullende aanbesteders voor het verdere vervoer per as tot Dalen zorg dragen.
Art. 11
Kerkvoogden verbinden zich voor de leverantie van het hier omschreven
orgel te betalen eene som van tweeduizend vierhonderd en vijftig gulden, en wel
in twee gelijke termijnen, het eerste bij de overkomst van het Orgel te Dalen en
het tweede één jaar later.
Dalen, 4 April 1849. J.C. Scheuer & Zn.
Kerkvoogden voornoemd:
L. Kiers, president
J. Caspers, secretaris
J. Cornelis
J. van Tarel
H. van Kiers.'
Er wordt gezocht naar een schoolmeester die
goed kan orgelspelen. De kerk in Dalen kan volgens krantenberichten nog aardig wat invloed uitoefenen op de benoeming van een
onderwijzer.
Er wordt op 25 mei een vergelijkend examen gehouden. De onderwijzers Baning
en Muntinga komen als besten naar voren.
Zie Drentsche courant (24-04-1849),
(03-07-1849), (06-07-1849),
Algemeen Handelsblad
(26-04-1849).
Op 20 juli 1849
wordt schoolmeester Jan Hermanis Baning benoemd als
koster/voorlezer/voorzanger/organist op dezelfde voorwaarden als zijn
voorganger. De zitplaats van zijn voorganger Woudstra wordt toegekend aan diens
weduwe. Ook krijgt zij een stuk bouwland van ongeveer 25 roeden voor de tijd van
tien jaar. (14) (26)
(33) (41)
1850
De orgelonderdelen worden op 5 juni per schip aangevoerd naar
Coevorden. Het verdere vervoer geschiedt 'per as'. De naam Scheuer wordt in het
krantenartikel verbasterd tot 'Schuijer'. Zie Drentsche courant
(07-06-1850).
(33)
Meester Baning wordt door de kerkvoogden verzocht om het bestek van zijn commentaar te
voorzien en hij meldt in zijn 'Aanmerkings en bijvoegings op 't Bestek': 'De
registers opgegeven in art. 1 laten niets te wensen over, maar', zo probeert hij,
'evenwel zou het nog goed zijn er nog bij te voegen T. Fluit travers S voet, en
Fox Humana van Metaal 8 voet'. Hij moet straks op het orgel spelen en dan is het
logisch om het orgel zo uitgebreid mogelijk te krijgen. Kennelijk vinden de
kerkvoogden het zo al duur genoeg; de twee extra registers komen er niet! Baning
dringt erop aan om het pijpwerk zwaar en vooral wijd te maken en 'vooral niet te digt of
opeengedrongen te plaatsen. Wij bevelen hem bovenal de Bourdon 16 voet aan, opdat het
orgel eenen goeden grond verkrijgt'
Met betrekking tot het klavier heeft hij de volgende wens: 'Het ijvoor, waarmee de
toetsen opgelegd zijn, dient met nagels van zwart ebbenhout te worden bevestigd, uithoofde
de ondervinding leert, dat de lijm bij weersverandering, of bij het bespelen met bezwete
handen, maar al te dikwijls loslaat'. Hoewel het orgel voor de kerk van Dalen een
grote aanwinst is, is de omvang van het orgel bescheiden met z'n elf registers en één
klavier. Meester Baning besluit dan ook met de volgende aanbeveling:
'Zal het goede begin, dat met dit werk gemaakt wordt, op den duur geheel voltooid
worden, dan moet de gelegenheid open blijven om een tweede clavier te plaatsen. Het werk
volgens tegenwoordig bestek, kan zeer goed, zelfs uitmuntend worden, maar zal toch altijd
onvolmaakt blijven, zolang een tweede clavier ontbreekt. Een en ander moet met den
orgelmaker worden besproken, opdat die gelegenheid niet voor altijd voorbij is. Dit een en
ander moge zijn plaats vinden en opgenomen worden in zoverre het verdient; alles in eenen
eenvoudige raadgeving en mogt er eenig gebruik van worden gemaakt, dan is mijn wens
vervuld.'
Met achting uwe J. Baning.'
De ingebruikname van het orgel is op 5 augustus. De
predikant preekt over 2 Kronieken 5 vers 13-15. Organist J.H. Baning geeft een
orgelconcert en het plaatselijke zanggezelschap werkt mee. Zie Drentsche courant
(26-07-1850), (09-08-1850),
Nieuwe Rotterdamsche courant (08-08-1850) (02)
In
de
Drentsche courant van 13
augustus spreken de kerkvoogden van Dalen hun
tevredenheid uit over het werk van Scheuer. De kwaliteit wordt getoetst aan de
hand van het boek van Seidel: Het orgel en deszelfs samenstel. (34)

Drentsche courant 13-08-1850
1851
Gedeputeerde Staten van Drenthe vermelden het nieuwe
orgel. Zie Verslag van Gedeputeerde Staten aan de Staten der provincie Drenthe .... 1851
(01-07-1851 blz. 49).
1852
Geesje Snoeijing overlijdt in 1851 en laat f
3.000,- na voor de armenzorg. Het legaat voor het orgel uit 1848
wordt hier voor f 400,- genoemd. Een
ander legaat van f 100,- is voor de aankoop van een zilveren
avondmaalsbeker. (39) Zie Drentsche courant (27-02-1852).
185x:
Broekhuyzen noteert in zijn dispositieverzameling het volgende over het
orgel: (42)
'D 74. Provintie Drenthe
Het orgel in de kerk der hervormde gemeente
is gemaakt en voltooid in 1850
door Joh Christiaan Scheuer, orgelmaker te
Zwolle. Het heeft 11 stemmen, een
handclavier, aangehangen pedaal en drie
blaasbalgen, lang 8 en breed 4 vt.
| Prestant 8 vt | Octaaf 4 vt | Gemshoorn 2 vt |
| Prestant D. 16 vt | Quint 3 vt | Flageolet 1 vt |
| Bourdon 16 vt | Flute douce 4 vt | Trompet 8 vt |
| Holpijp 8 vt | Octaaf 2 vt |
| Prestant | 4 vt van Engels gepolijst tin |
| Holfluit | 8 vt. |
| Viola di Gamba | 8 vt. (de vijf laagste tonen uit de holfluit) |
| Speelfluit | 4 vt |
| Gemshoorn | 2 vt van het bestaande klavier |
| Flageolet | 1 vt overgeplaatst |
| Dulciaan | 8 vt |

1862
De predikant schenkt naar aanleiding van zijn 25-jarig jubileum
aan de kerk een stel nieuwe gordijnen. 'Ook hij wilde zich niet onbetuigd laten
en verraste ons, door aan d kerk een fraai stel nieuwe en kostbare gordijnen te
schenken. Ofschoon ons kerkgebouw, gedurende dit jaar, wederom zeer is verfraaid
en alles, zooveel mogelijk, in overeenstemming is gebragt met het groot en
sierlijk orgel, wordt dit door het waarlijk kostbaar geschenk, met weinig
verhoogd; den edelen gever wordt daarvoor hartelijk dank gezegd.'
Zie Provinciale Drentsche en Asser courant (11-10-1862).
1865
Herdenking van de Slag bij Waterloo met een kinderfeest voor 200
kinderen. In de kerk worden 'eenige liederen gezongen, vol vaderlandsliefde,
Koningstrouw en vrijheidsvreugde'. Het gezang wordt begeleid op het orgel. Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (01-07-1865)
1866
H.L. Smit stuurt een rekening voor
hulpmateriaal bij het orgel van f 0,40 en f 0,20. (23)
1867
Een rekening
van de orgeltrapper en de kerkbode voor de volgende werkzaamheden: 20, 21 en 22 mei
een dag orgeltrappen f 0,70 per dag; op 27 mei een halve dag f 0,35; 10 july
voor espres na wachten f 0,15; onderaan f 10,- voor een jaar orgeltrappen. (23)
1869
De orgeltrapper krijgt f 10,- per jaar. Onderhoud van
het orgel aan P. van Oeckelen f 25,-. Aan Bloemen f 0,30 [assistentie balgen
trappen?] (24)
1872
Van 30 september
dateert een rekening van f 30,- van
Van Oeckelen voor het stemmen van het orgel en het schoonmaken van de
frontpijpen. (23)
1875
Onderhoudswerkzaamheden door Van Oeckelen. In dezelfde periode wordt ook de kerk
gerestaureerd.
In het bestek van de kerkrestauratie staat over het orgel: 'De vier kolommen te
marmeren en de bazementen der pilasters met de tusschengelegen muurvlakken der
kerkwanden [...] te verven als hardsteen.' (20)
Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (18-08-1875)
1876:
Uitgaven voor
orgelblaasbalgtrapper f 15,-;
Onderhoud orgel f 140,-. Er is door het College van Toezicht toestemming gegeven
voor deze werkzaamheden. (24)
Op
6 juli wordt besloten het
onderhoudsbudget van het orgel te verhogen met f 125,- tot f 150,-. (26)
Op 2 september 1876 schrijft
het College van Toezicht dat ze
toestemming geven voor een lening van f 600,- om de niet begrote uitgaven
voor het repareren van het orgel te bekostigen. (25)
1877:
Ds. van Ingen gaat met emeritaat. Ook het orgel wordt
gememoreerd. Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (01-08-1877).
1879:
Door
een openstaand raam hebben vogels kans gezien binnen te komen en een nest te
bouwen bij het orgel en vier jongen groot te brengen. Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (09-07-1879).
1884:
Concert
door de blinde organist Oord. Het meest wordt genoten van variaties op het
Nederlandse volkslied. Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (14-03-1884).
1894:
Baning gaat met pensioen en bedankt ook als organist. Er moet een nieuwe
organist worden gezocht. De advertentie van de gemeente voor een
schoolhoofd en de advertentie van de kerkvoogdij voor een koster/organist staan onder elkaar. Er melden zich 73
sollicitanten, van wie één kandidaat een orgeldiploma heeft. A.C. Jalink uit Haarlem
wordt benoemd. Zijn naam wordt in het krantenbericht abusievelijk 'Jalving' (meer
Drents) gespeld. Zie Provinciale Drentsche en Asser courant (18-08-1894),
(04-09-1894), (07-12-1894).
Op de kerkvoogdijvergadering van
22 november komt de taakomschrijving
van de organist aan de orde. Moet de nieuw benoemde organist ook een diploma
voor orgel bezitten? Na een stemming wordt bepaald dat dit niet nodig is.
Door de
burgemeester van Dalen wordt gevraagd of de functies van schoolmeester en
organist kunnen worden gecombineerd. Besloten wordt om na overleg hierover te
beslissen.
Tot de taken behoren: klok luiden; het bekostigen van een
orgeltrapper; kerkhof schoonhouden; twee maal per jaar de kerk schoonmaken; het
orgel bespelen op alle zondagen en christelijke feestdagen; het verzorgen van het
doopwater; voorbereiden van het avondmaal.
In een avondvergadering op dezelfde
dag wordt de instructie voor de koster/organist voorgelezen.
1895
Op
12 oktober krijgt de secretaris van
de kerkvoogdij een cadeau voor het waarnemen van het orgelspel na het bedanken
van Baning en de komst van de nieuwe organist.
1896
Op
25 februari wordt een brief van oud-organist
Baning besproken. Hij wil niet voldoen aan het verzoek van de kerkvoogdij om
twee maanden traktement terug te betalen vanwege het beëindigen van zijn
organistenschap.
1901
Grootboek:
onderhoud door J. Beukema f 27,50 (22)
1904
Grootboek: Onderhoud van het orgel: niets (22)
1907
De kerk wordt gerestaureerd en krijgt daarbij een nieuwe
achtergevel.

Ansichtkaart
beschreven in 1918. Op deze foto is de oostgevel uit 1907 mooi te zien. De gevel
wordt weer verwijderd bij de restauratie van de kerk in 1972/1973.
1908
Het orgel heeft nogal geleden van de kerkrestauratie. De kerkvoogdij besluit op
23 januari 'het zoo fraaije instrument
te repareeren'. De kosten worden geschat op f 260,-. Dit bedrag zal
bijeengebracht worden door 'eene vrijwillige bijdrage te vragen aan de ingezetenen
van Dalen'. Achteraf blijkt de schatting aan de lage kant te zijn, want op de
officiële intekenlijst wordt het bedrag gewijzigd in f 360,-.
Dominee Hefting tekent als eerste voor f 20,- en president-kerkvoogd Albert ten Hool, die
daar natuurlijk niet voor wil onderdoen, tekent ook voor f 20,-. Welke werkzaamheden er
door wie werden
uitgevoerd is niet bekend. (25)
Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (11-07-1908).
1910
Van 23
maart dateert een kwitantie van Jan
Doornbos van f 18,- voor het stemmen van het orgel. (23)
1911
In de kerkvoogdijvergadering van
1 februari vraagt koster/organist
Jalink om de kosterij te verkopen aan de gemeente en hem de beschikking te geven
over de rente van de verkoopsom. Het pand wordt van jaar tot jaar slechter. Hierna
volgt een opsomming van de gebreken. Het voorstel wordt afgewezen.
Op 13 oktober komt aan de orde
dat koster/organist Jalink niet genegen is om 10 are van zijn grond af te staan
voor de uitbreiding van het schoolgebouw. Men besluit een rechtskundig advies in te
gaan winnen. Jalink wil elektrisch licht laten aanleggen op kosten van de
gemeente Dalen. Het verzoek wordt afgewezen. Het verzoek om een zoldering te
maken boven de slaapkamer wordt voor kennisgeving aangenomen. (25)
1913
Op 24 mei
dient koster/organist Jalink een verzoek in om een 'Koepelkamer' op het
kosterijgebouw te laten bouwen. Jalink stelt voor de verbouwing te bekostigen
uit de kosterijgoederen voor f 330,-. Het meerdere betaalt hij zelf. Dit
verzoek wordt toegestaan. (25)
1916
Het verzekerde bedrag voor het orgel
wordt verhoogd van f 3.000,- naar f 4.000,-. (25)
1919
Er wordt f 148,13 uitgegeven aan
onderhoud voor het orgel. Het salaris van
de orgelblaasbalgtrapper en kerkbode wordt samengevoegd tot f 35,-. (24)
Organist J.H. Lümer geeft samen met zangeres Jo van Huls-Cup een concert.
Zie Emmer courant
(17-05-1919).
1920
Het orgel krijgt een schoonmaakbeurt. De kerkvoogden zijn hier zo tevreden
over, dat zij hun namen en die van dominee Bakker op de balk onder het orgel laten
aanbrengen.
1921
Onderhoud orgel f 89,20.(24)
1923
Organist A.C. Jalink stopt als organist. Hij is ruim
25 jaar organist geweest. Zie Provinciale Drentsche en Asser courant (01-05-1923).
1924
In de kerkvoogdijvergadering van 25
januari wordt besproken of organist Jalink nog recht heeft op vier maanden
traktement uit 1923. Hij is uit Dalen vertrokken voor een andere baan.
1927
De secretaris van de kerkvoogdij de heer M.J.
Caspers neemt na het vertrek van Jalink belangeloos de post van organist over.
Op 22 maart
wordt besloten een reserve te benoemen voor organist Caspers vanwege zijn hoge
leeftijd. Besloten wordt de vrouw van Kruimink te benaderen. Uit een
krantenbericht van 1937 blijkt dat zij inderdaad benoemd is.
Zie Provinciale Drentsche
en Asser courant (02-01-1926),
(25-05-1927), Emmer courant
(31-05-1927).
Organist Abraham Alt uit Bolsward geeft een concert met 'Der Meistersinger' van
Nürnberg. Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (25-11-1927).
1930
Organist f
225,- en kerkdienaar-orgeltrapper f 305,-; onderhoud orgel f 30,-. (24)
1933
Op 12
december verschijnt er in de Emmer courant een artikel over de schoolmeesters
en organisten Baning en
Jalink naar aanleiding van het verloren gaan van het schoolgebouw bij een brand.
1935:
Op 21 oktober vraagt de kerkvoogdij
aan Mense Ruiter of hij het orgel wil stemmen. Dit gebeurt op aanbeveling van de
provinciale afdeling van de kerkvoogdij.
Mense Ruiter antwoordt op
25 oktober dat hij volgende week
zal langskomen. (30)
1936
Op
17 december schrijft Ruiter dat hij
volgende week komt om het orgel te stemmen. Kan ervoor worden gezorgd dat de
kerk dan verwarmd is? (30)
1937
De tekst op het orgel wordt
vermeld in het boek van Belonje en
Westra van Holthe, Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der
provincie Drenthe.
In de Emmer courant
van 4 mei verschijnt een artikel over orgeltrapper Lanjouw en zijn vrouw Fenna Schulte naar
aanleiding van hun 50-jarig huwelijk.
1939
Een notitie van de orgelgegevens van Dalen door
orgelmaker Mense Ruiter stamt vermoedelijk uit dit jaar. (18)
1941
Uitgaven Organist f 225,-; kerkdienaar-orgeltrapper f 305,-; orgel in de kerk
begroot op f 50,- Uitgegeven f 215,37? Waarschijnlijk is het onderhoud van de kerk inbegrepen
bij deze post. (24)
1944
Koster en pensioen Lanjouw f 479,-; organist f 225,-
(24)
1945
Mevrouw Kruimink vertrekt
als organiste. De kerkvoogdij plaatst een advertentie voor een organist. In de
advertentie wordt de grootte van het orgel vermeld. Benoemd wordt de heer J.W. Veldmeijer uit Emmen.
Zie Emmer courant (12-06-1945), Provinciale
Drentsche en Asser courant (20-08-1945).
1946
Op 26 augustus schrijft
organist Veldmeijer uit Emmen dat Mense Ruiter het orgel in april zou stemmen. Op deze manier
kan het orgel speelbaar worden gehouden totdat een grondige reparatie
plaatsvindt. 'U kwam niet opdagen en ik zit met dit oude ding opgescheept! Kan
er werkelijk worden gerestaureerd met een goed resultaat? Kunt U eens met een
plan komen en een prijsopgave? In het bovenklavier zitten hangers en de valsheid
kent geen grenzen. De koster klaagt dat hij zich 'een breuk' moet pompen.' (30)
1947
De kosten van een restauratie worden geschat op f
5.000,-. Een collecte brengt f 4.800,- op. Het orgel wordt door deskundigen
gezien als 'zeer waardevol en kostbaar'. Zie Provinciale Drentsche en Asser courant
(27-05-1947), (04-07-1947).
1948:
Onbekende werkzaamheden aan het orgel. Vermoedelijk is er toen door
orgelbouwer Arie Bik uit Amsterdam een elektrische windmotor aangebracht,
waardoor de orgeltrapper overbodig wordt. (01)
(37)
Zie Provinciale
Drentsche en Asser courant (13-04-1948).
1955:
Organist Veldmeijer wordt opgevolgd door Albert Roos uit Klooster bij Coevorden.
Zie Provinciale Drentsche en Asser courant (02-06-1955),
(12-08-1955).

Beeldbank Drents
Archief Nr. MZ10601060818 Datering 08-03-1963
1969:
Op 5
februari stuurt orgelmaker Hendriksen & Reitsma een offerte voor restauratie
en uitbreiding van het orgel. Het voorstel wordt gebaseerd op een onderzoek
waarbij organist Hopster en een vertegenwoordiger van de kerkvoogdij aanwezig
zijn. Het orgel heeft te lijden van de kerkverwarming en slijtage. Verder wordt
opgemerkt dat het orgel een vrij pedaal mist. Er wordt voorgesteld de dispositie
te wijzigen:
| Hoofdwerk | Bovenwerk | Pedaal |
|---|---|---|
| Prestant 8′ | Prestant 4′ | Subbas 16′ |
| Bourdon 16′ | Holfluit 8′ | Prestant 8′ |
| Holpijp 8′ | Viola di Gamba 8′ | Octaaf 4′ |
| Octaaf 4′ | Fluit 4′ | Fagot 16′ |
| Quint 3′ | Gemshoorn 2′ | |
| Fluit 4′ | Flageolet 1′ | |
| Octaaf 2′ | Cymbel 1/3′ 2–3 sterk | |
| Tertiaan 2 sterk | Kromhoorn 8′ | |
| Cornet 5 sterk | ||
| Mixtuur 1 1/3′ 4 sterk | ||
| Trompet 8′ | ||
| Koppels: Hoofdwerk–Bovenwerk, Pedaal–Hoofdwerk en Pedaal–Bovenwerk. | ||



| Hoofdwerk | C-f3 | Bovenwerk | C-f3 | Pedaal |
| Prestant | 16' disc. (S) | Holfluit (O) | 8' | Aangehangen |
| Bourdon | 16' (S) | Viola da Gamba (O) | 8' | |
| Prestant | 8' (S) | Preastant (O) | 4' | |
| Holpijp | 8' (S) | Fluit (O) | 4' | |
| Octaaf | 4' (S) | Gemshoorn (S) | 2' | |
| Fluit | 4' (S) | Flageolet (S) | 1' | |
| Quint | 3' (S) | Clarinet (O) | 8' b/d | |
| Octaaf | 2' (S) | |||
| Cornet | V disc. (O) | |||
| Mixtuur | III-IV (O) | |||
| Trompet | 8' (S) |
Afsluiter
3 spaanbalgen
Gedeelde koppel bas/discant
Tremulant op het gehele orgel
Windlosser
1972
Op 12 januari verschijnt het
eindrapport van de HOC. 'De
restauratie is met zorg en piëteit uitgevoerd.' Zie Het Orgel (1972-01),
De Orgelvriend (1975-04).
Op
31 januari stuurt de HOC een
rekening voor honorarium en gemaakte kosten.
Op de vergadering van de
Provinciale Monumentencommissie van 9
maart komt de restauratie van het orgel in Dalen aan de orde. Gezien het
geringe belang van het orgel geeft het rijk maar 35% subsidie. De provincie
beperkt daarom de subsidie tot 5%.
Volgens een
overzicht krijgen de orgels van Berghuizen, Roden, Smilde,
Rolde, Westerbork, Beilen, Peize en Meppel een subsidie van 10% - 15%. De
rijkssubsidie varieert van 20% (Smilde, Rolde) en 35% tot 50%. De orgels van
Rolde en Smilde staan niet op de monumentenlijst. Toch wordt besloten om
10% subsidie te verlenen. (31)
In april schrijft Jan
Jongeprier een artikel over de restauratie in het tijdschrift Het orgel (1972-04).
Van mei dateert een
brief van de Provinciale
Monumentencommissie van Drenthe aan Gedeputeerde Staten. De commissie is van
mening dat ook Dalen recht heeft op subsidie van de provinciale overheid. Er
wordt een lijst met toegekende subsidies meegestuurd. (19)
In mei
vraagt de Provinciale Monumentencommissie aan de provincie of de subsidie van 5%
kan worden heroverwogen omdat het orgel binnen Drenthe wel van belang is. Er
wordt voorgesteld het percentage te verhogen naar 10%.
Op
15 augustus besluit de provincie de
subsidie te verhogen tot 10%.
Op 27
oktober vraagt de kerkvoogdij aan Bolt of hij bij de subsidieverlenende
instantie kan informeren of alle documenten correct zijn ingeleverd
Op 1 november schrijft Bolt aan de
kerkvoogdij dat de geldelijke verantwoording al is behandeld. Hij raadt de
kerkvoogdij aan, in verband met de precaire financiële situatie bij de kerk, om
een verzoek in te dienen om de subsidie nu al uit te betalen.
Op
2 december geeft de kerkvoogdij aan
Bolt door dat de restauratie f 42.677,07 heeft gekost. Op 2 december komt er een
betaling binnen van de gemeente Dalen van f 13.415,-. (32) (41)
(43)
1973
Op 2 januari meldt de provincie dat
in de statenvergadering van 17 november besloten is de subsidie te verhogen tot
10%.
Op 14 februari stuurt de
kerkvoogdij kopieën van rekeningen naar het BM. Ze hopen dat de subsidie snel
wordt overgemaakt.
Op 1 mei
dringt de kerkvoogdij bij de provincie aan op snelle betaling van de subsidie
omdat ze de restauratie hebben voorgefinancierd.
Op
29 mei schrijft de provincie dat een
subsidie van f 4.301,86 naar Dalen is overgemaakt. De subsidie van het Rijk van
f 15.057,- wordt begin juni overgemaakt. (32)

Foto:
Geert Jan Pottjewijd
1976
In de bouwvergadering van 8 oktober van de
kerkrestauratie wordt het schilderen
van de orgelkas aan de orde gesteld. Uitgangspunt is bijschilderen in de
bestaande kleur en het vergulden van de labia. Men weet niet wat de
oorspronkelijke kleuren zijn. Twee Daler schilderbedrijven zullen om een offerte
worden gevraagd.
Op 12 november wordt besloten dat schilder Witvoet uit Dalen
het schilderwerk zal uitvoeren. (32)
1977
Op 11 februari wordt een steiger voor het orgel geplaatst zodat de oorspronkelijke
kleuren kunnen worden onderzocht.
Op 13 mei wordt in de bouwvergadering in
overleg met de orgelmaker besloten de frontpijpen te verwijderen voordat er
wordt geschilderd. Het opschrift op het orgel is genoteerd. Later zal worden
bepaald of en hoe dit opschrift weer zal worden aangebracht.
De frontpijpen worden in
mei door Reil uitgenomen. In de eerste week van augustus worden de frontpijpen weer teruggeplaatst en wordt het orgel gestemd.
Op 12 augustus wordt
besloten de namen van de vroegere kerkvoogden niet meer op het orgel aan te
brengen. De namen zullen op een apart bord worden geschilderd, aangevuld met de
huidige kerkvoogden en de toevoeging: 'gerestaureerd in 1977'. De kas rond de
speeltafel zal ook worden geschilderd.
Op 14 oktober wordt het ontwerp van het
bord goedgekeurd met daarop de namen van de vroegere en de huidige kerkvoogden. (32)
Bij de tweede fase van de kerkrestauratie in 1977 krijgt de orgelkas de huidige
rode kleur. Eerder is de kas eerst wit en vervolgens in een palissanderkleur
beschilderd. Ook wordt er
nieuw verguldsel aangebracht en krijgt het houtsnijwerk aan de zijkanten en aan de
achterkant een bekleding van groene stof.
1990
Er worden plannen gemaakt voor het
toevoegen van een zelfstandig Pedaal met een Subbas 16' en een Prestant 8'. Reil brengt op 5 september een offerte
uit. De plannen worden echter niet gerealiseerd. (14)

Tekening van het plan. Klik op de afbeelding voor een vergroting
1991
Op 7 november vraagt
de Stichting Behoud Kerkelijke Gebouwen in Groningen (SBKGG) namens de
kerkvoogdij van Dalen aan de HOC om een rapport te maken voor een uitbreiding
van het orgel.
Op 14 november
schrijft de HOC dat een advies inhoudt dat er eerst een bezoek aan de
kerk wordt gebracht, waarna een voorlopig rapport kan worden opgemaakt.
Het
voorlopige rapport van de HOC,
opgesteld door
Aart van Beek, is van 4 december. 'De directe aanleiding voor het uitbrengen
van dit rapport zijn de door de heer Datema geformuleerde wensen voor wijziging en
uitbreiding. De heer Datema ziet de samenstelling van de Mixtuur, die op 16'
hoogte is gebaseerd, gaarne gewijzigd. Een andere wens is de toevoeging van een
vrij pedaal.' De samenstelling van de Mixtuur hoort bij dit type instrument en
is daar een onmisbaar onderdeel van. Wijziging is zeer te ontraden en niet
toegestaan omdat het orgel een beschermd monument is. Een vrij pedaal is wel
mogelijk. Reil heeft twee mogelijkheden gegeven:
-Een Subbas 16' opgesteld in de
orgelkas.
-Een Subbas 16' en een 8-voets register tegen de achterwand.
Bij
de laatste variant dient de windvoorziening te worden verplaatst.
Mense
Ruiter offreert een Pedaal op de balgenkast met een Subbas 16', Octaaf 8' en een
Bazuin 16'.
Voor de toevoeging van een Pedaal is toestemming nodig van
Monumentenzorg. Voor een 'echt' zelfstandig pedaal acht de HOC vier stemmen
nodig. (41)
1992
Op
23 januari stuurt de HOC een
rekening voor het voorlopig advies naar de SBKGG. (41)
1998
Op 6
november vraagt de SBKGG namens de kerkvoogdij aan de HOC om een voorlopig
rapport te maken.
1999
Het
rapport van de HOC verschijnt op 17
maart. Na een beschrijving van het orgel wordt de huidige toestand beschreven en
de te nemen maatregelen: 'Het pijpwerk verkeert in een zeer wisselende
conditie, van redelijk goed tot zorgwekkend slecht. Het pijpwerk uit 1850 heeft
een wat minder zacht metaal dan dat uit 1857. Van het open pijpwerk uit beide
bouwfasen zijn stemranden meer of minder beschadigd. Ook is bij diverse pijpen
schade aan de corpora naast de bekken. Dit is een gevolg van (te) hard slaan met
de stemhoorn. Sommige pijpen, vooral in de Mixtuur hebben een dusdanig
toegeknepen rand dat het vermoeden bestaat dat er niet met daartoe geëigend
gereedschap maar met de handen is gestemd. Ook zijn diverse voeten van kleinere
Mixtuurpijpen krom getikt. Verontrustend is de vorming van blaasjes op de voeten
van de Viola di Gamba en Holfluit van het bovenwerk. Hier speelt een combinatie
van factoren een rol. De toegepaste legering is kennelijk gevoelig voor een hoge
vochtigheid in combinatie met wisselende temperaturen. De vervuiling van het
Hoofdwerk is niet groot, maar er is wat meer vuil in het Bovenwerk. Het vuil koekt
aan door de hoge luchtvochtigheidsgraad.
Het fraaie klankbeeld is in grote lijnen nog in orde, doch het heeft aan
zeggingskracht ingeboet door tamelijk veel incidentele ontregelingen van de
intonatie. Vooral de Mixtuur geeft niet meer de in potentie aanwezige
klankvulling. Uit de berichtgeving over de restauratie van 1971 blijkt dat toen
ook veel pijpwerk hersteld moest worden vanwege stembeschadigingen.
Hierbij
zullen evenals nu de volgende factoren een rol gespeeld hebben:
- Onstabiele
windtoevoer door lekkage (nu slechts incidenteel aan de orde).
- Relatief
zacht orgelmetaal, vooral dat van Van Oeckelen.
- De moeilijke bereikbaarheid
van een deel van het binnenwerk, met name het pijpwerk dat tussen het front en
de Cornet staat opgesteld.
Noodzakelijke en/of wenselijke maatregelen.
Het
is van belang nu maatregelen te treffen om het orgel voor onnodig snel verval te
behoeden. Kas, balgen, kanalen en windladen verkeren in principe in een goede
conditie. Wel lijkt het erop dat sommige sleepsysteemringen enige lekkage
vertonen. Daar deze lekkage een relatie heeft tot de instabiliteit van de
stemming van de bijbehorende pijpen, dienen kapotte ringen te worden vervangen.
Een rigoureus alternatief is het verwijderen van alle sleepringen en het weer in
de oorspronkelijke positie brengen van de pijpstokken.
Het mechaniek
functioneert zonder storingen. Wel is het wenselijk het toucher van het
hoofdwerk, voor zover mogelijk, te versoepelen. Op enkele details is reparatie
noodzakelijk.
De behandeling van het pijpwerk valt in twee delen uiteen:
a. Het repareren van steminrichtingen, bovenranden en het opronden van pijpwerk.
b. Het behandelen van de aangetaste pijpvoeten of, indien reparatie onmogelijk
is, het vervangen ervan. Dit laatste moet echter zoveel mogelijk achterwege
blijven omdat het historisch materiaal betreft.
Een procedure om de
mankementen te verhelpen zou kunnen bestaan uit het uitnemen van het pijpwerk en
het waar nodig herstellen ervan. Tevens kunnen de sleepringen worden
gecontroleerd en waar nodig vervangen. De afregeling van het mechaniek kan
worden nagelopen met ook het verbeteren van het toucher als doel.'
De uit te
voeren werkzaamheden gaan verder dan groot onderhoud, maar dienen beschouwd te
worden als een (deel)restauratie. Er is een offerte van orgelmaker Reil van 21
oktober. Daarin mist de HOC het vervangen van de sleepringen en de aantasting van de
pijpvoeten.
Op 18 mei stuurt de
HOC een rekening voor het voorlopige advies. (41)
Op 13 november verschijnt het
restauratieadvies van Jan Jongepier.
(14) (41)
2002/2003
Reil voert groot onderhoud uit aan het orgel met Jan Jongepier
als adviseur. Het
contract is van 21 maart. (14)
Uitgevoerde werkzaamheden:
Klaviatuur:
schoonmaken; speling wegnemen; de beledering van de tussenlijst vernieuwen; ca. 8
toetsplaatjes bijzoeken en vernieuwen; pedaalrammel verhelpen.
Speel- en registermechaniek: schoonmaken en nalopen;
geleidingen, sleepgang en trekstangen nazien/verbeteren.
Kas: schoonmaken; nazien van hang- en sluitwerk; controle houtworm.
Windvoorziening: controle balgen en kanalen.
Pijpwerk: schoonmaken; steminrichtingen herstellen,
stemlapjes in korte pijpen verwijderen; bovenranden herstellen;
beschadigde voeten herstellen; de Cornetbanken zullen een kwart slag worden
gedraaid en naast elkaar in de middenas van het orgel worden geplaatst; de voeding wordt uitgevoerd in loden conducten of
een houten vervoerblok;
blaasvorming
op de pijpen herstellen na rapportage door de adviseur.
Opgang stemvloer: de opgang naar de stemvloer van
het Bovenwerk wordt gemaakt door de plaatselijke timmerman in overleg met
de orgelmaker.
Op 12 december 2002 schrijft Jan Jongepier
het eindrapport. (14)
Het orgel wordt op 26 april 2003 weer in
gebruik genomen met een concert door Jan Jongepier.
Programma door Jan
Jongepier:
1. Moritz Brosig (1815-1887) Fantasie 'Christ ist erstanden'
2.
Max Reger (1873-1916) Jesus meine Zuversicht (op. 67 no. 20)
3. Joh. Chr.
Oley: (1738-1789) Jesus meine Zuversicht
4. Johann Seb. Bach (1685-1750)
Adagio uit fluitsonate in g BWV 1020
5. Alexandre Guilmant (1837-1911) Marche
upon Handel's 'Lift up your heads’, op. 15.
De Stichting tot Behoud van het Nederlands
Orgel kent een subsidie toe van EUR 1.000,-. (15)


Foto's: Geert Meendering
van voor de wijzigingen van 2016 (03)
Klik op de afbeelding voor een grotere versie
2014-2016
Er wordt onderzocht of de groene kleurstelling
achter de ornamenten van het orgel kan worden bijgesteld. Er wordt
overlegd met Reil en de dienst Cultureel Erfgoed. (13)
De kleurstelling is inmiddels na overleg met orgelmaker Reil en de cultuurambtenaar
van de gemeente Coevorden gewijzigd.
De volgende wijzigingen zijn
gerealiseerd:
-De groene beplating achter de zijvleugels is verwijderd.
-De achterzijde is bijgekleurd in de mahoniehouten kleur, die er reeds gedeeltelijk op was aangebracht. Na verwijdering van de beplating
bleek de achterzijde van het snijwerk kaal te zijn.
-De groene kleur op
de ornamenten op de torens is verwijderd en veranderd in Bentheimer zandsteen wit.
-De versieringen
in bladgoud zijn ongewijzigd
gebleven. (16)
2016
Groot onderhoud
door Reil op basis van een rapportage van orgeladviseur Aart van Beek.
1.
De leermoeren zijn vervangen door nieuwe onder de laden.
2. De leren
verbindingsstroken van de aanhaakdraden van het ondermanuaal met het Pedaal zijn
vervangen door gefestonneerde messing aanhaakdraden.
3. Binnen in de orgelkas
is er sprake van een soort droge aanslag of schimmel; dit is voor zover bereikbaar
verwijderd.
4. Er zijn enkele metalen pijpen verlengd en van het houten
pijpwerk, waarvan de stoppen vastzaten (Bourdon 16 en Holpijp 8), is nieuw vilt
en leer aangebracht.
5. Klaviermechanieken zijn opnieuw afgeregeld en
waar nodig is pijpwerk bijgestemd.
Verder wordt nog een klimaatonderzoek
door Cultureel Erfgoed overwogen. (17)

Foto Geert
Meendering (2016) (16)


Foto's Geert Jan Pottjewijd
2025
Per 1 januari fuseert
de kerk met de Hervormde Kerk van
Oosterhesselen. (40)
Organisten:
Jan Hermanis Baning: 1850-1894.
A.C. Jalink: 1894-1923.
M.J. Caspers:
1923-1927.
Mevr. Kruimink: 1927-1945.
J.W.
Veldmeijer: 1945-1955.
Albert Roos : 1955-19xx.
Roelof Hopster: 19xx-19xx. Zie
Meppeler courant (12-06-2013).
Sinds 2006 hebben de volgende organisten diensten begeleid: Geert Meendering uit Borger,
Johan Westerbeek (2006-2013) uit Stieltjeskanaal, mevrouw E. Blom (2006-2014) uit Schoonebeek, Dre Kruizenga uit Beilen en Bert Otten uit Beilen.
(13)
Bronvermelding:
De kerkvoogdij voor de rechtbank
Het is oktober 1861 en de deurwaarder van Dalen, Harm Schut, is bezig met een van de
merkwaardigste opdrachten, die hij ooit heeft uitgevoerd. Hij is onderweg met een
deurwaardersexploot naar niemand minder dan Jan Caspers, voorzitter van het College van
kerkvoogden van de Hervormde kerk. Wat is er aan de hand? Het is schilder Jan Jacobs Glas,
die het leven van de kerkvoogden er niet gemakkelijker op maakt. Er is een flinke ruzie
over de rekening voor het schilderen van het nieuwe orgel ontstaan. De kerkvoogdij had dit
schilderwerk niet aanbesteed, maar aan de orgelbouwer Van Oeckelen gevraagd, wat het
schilderen van het orgel ongeveer zou gaan kosten. Van Oeckelen schatte het verfwerk op
dertig à vijfendertig gulden en van dit bedrag uitgaande, gaf de kerkvoogdij schilder
Glas opdracht het orgel te schilderen. Toen de schilders-werkzaamheden in november 1857
gereed waren, vroeg men de rekening. Die liet even op zich wachten en kwam pas in maart
1858. In plaats van vijfendertig gulden vermeldde de rekening een bedrag van meer dan
honderdtachtig gulden! De kerkvoogdij was hevig verontwaardigd. Dat was toch niet
mogelijk! Men bestudeerde de gespecificeerde nota nauwkeurig en kwam tot de conclusie, dat
er zaken op de rekening voorkwamen, die veel te hoog gesteld waren. Dat er bijvoorbeeld
meer verfstoffen op voorkwamen, dan gebruikt hadden kunnen worden en dat er meer werkuren
(à f 0,15) waren opgegeven, dan in die tijd van het jaar gewerkt konden worden. Kortom,
de kerkvoogdij vond de rekening van schilder Glas veel te hoog en was niet van plan te
betalen. Ondanks de aanmaningen, die ze ontvingen. Na meer dan twee jaar vruchteloos
gepoogd te hebben om z'n geld te krijgen, blijft er voor Glas niets anders over dan een
advocaat in de arm te nemen en een rechtszaak tegen de kerkvoogdij aan te spannen bij het
Kantongerecht te Hoogeveen. De rechter, Jhr.mr. Van Holthe tot Echten, hoort beide
partijen en merkt al gauw, dat men niet goedschiks tot overeenstemming kan komen. De
partijen houden hardnekkig aan hun standpunt vast. Om tot een rechtvaardig vonnis te
komen, besluit hij op 15 oktober 1861 zelf naar de kerk van Dalen te gaan, om
hoogstpersoonlijk poolshoogte te nemen. Hij komt niet alleen, maar roept Jacob Seijdel,
Hermannus Stoter en Jacob Scholten op als getuige-deskundigen. Ze zijn alle drie
huisschilder te Hoogeveen. Dit gezelschap betreedt op zaterdagmorgen 2 november om tien
uur de kerk. De schilders beoordelen de werkzaamheden van hun collega Glas en delen hun
bevindingen mee aan de Edelachtbare. Er wordt een proces-verbaal van opgemaakt. Op 19
november 1861 wijst de kantonrechter 'In naam des Konings' vonnis. Hij is tot de
conclusie gekomen, dat de overeenkomst tussen de kerkvoogdij en schilder Glas erg
onduidelijk is. Glas heeft onder meer de banken op de orgelgalerij geverfd en de muur
achter het orgel gewit. Ook heeft hij de ramen van de kerk schoongemaakt. De kerkvoogdij
ontkent echter hiervoor opdracht te hebben gegeven en Glas kan niet aantonen, dat dit wel
het geval is. De rechter bepaalt, dat er dan ook geen geld voor toegewezen kan worden en
beslist, dat de kerkvoogdij aan Glas het bedrag van f 61,- plus de daarover verschuldigde
rente moet betalen. Een heel verschil met de f 184,- die in rekening gebracht was. Elk van
de partijen wordt veroordeeld tot het betalen van de helft van de kosten van de rechtzaak,
zijnde f 49,-.